Over het geluid van papier

Op de boekenbeurs van het fotografiefestival Unseen stond ooit een Japanse uitgever, die daar ter plekke een boek maakte. Het was een wervelende show, er werd in hoog tempo geprint, gebonden en gesneden. De inhoud van het boek vond ik niet zo interessant, maar het papier des te meer. Het boek was geprint op het meest gebruikte Japanse kopieerpapier: A4, lichtgrijs van kleur, gerecycled. Ik kreeg een paar A4tjes mee naar huis. Wat dit papier zo fascinerend maakt, is het geluid dat vrijkomt als je met een velletje wappert. De stijfheid en de dikte in combinatie met het materiaal waarvan het gemaakt is, zorgen voor de klankkleur. Voor mij was het toen duidelijk: het mooiste papier komt uit Japan. En uit Parijs. Want op de Quai Voltaire zit op nummer 3 een winkel die kunstenaarsbenodigdheden verkoopt.  À Paris depuis 1887. De bovenste verdieping is een walhalla voor papierfreaks, die gek zijn op Japans papier.

Knisperen, knisteren, kraken, ritselen, galmen, klapperen, ruisen, zwatelen zijn de woorden die kunnen passen bij het geluid van papier.

Papieren zakjes, papieren velletjes om Franse stokbroden en zijdepapier knisperen. Het papier waarop dit boek geprint is galmt en met een beetje fantasie zwatelt het papier uit mijn printer.

Het mooiste papier komt uit Japan. Ik wilde weten hoe dat gemaakt wordt. Dus ik kocht kozo, gampi en matsumata. Dit zijn de basten van Japanse planten die met kaliumkarbonaat gekookt moeten worden. Verder kocht ik een stok om de gekookte vezels te slaan en een bindmiddel: polyethyleenoxide. In Japan gebruiken ze hier neri voor, het slijm van de wortels van de hibiscus en trekken ze hun neus op voor de synthetische variant. En ook een zeef. De Japanse zeef was niet verkrijgbaar, dus het werd een Europees model. Een mooi model: handgemaakt uit essenhout met een bronzen raam en een messing band.

Voor de Japanse vezels geldt, dat te lang koken een negatieve invloed heeft op de stijfheid en het geluid van het papier. Dat was oppassen geblazen. Het totale proces van bast tot nat papier vergde op de Europese manier precies drie dagen. In Japan trekt men hier weken, zo niet maanden  voor uit. Na het koken worden daar de vezels dagenlang in een koude beek gelegd om schoon te spoelen, om daarna in de zon te bleken. 

Om mijn zelf aangeleerde vaardigheden te toetsen, woonde ik een workshop bij van een Japanse papiermaker. Wat ik daar zag, was iets dat ik nooit zou bereiken. Jarenlange volharding zorgde ervoor dat elk velletje dezelfde dikte, stijfheid en geluid had. Bijna industrieel gemaakt, maar met net iets meer ziel.

Naast de Japanse vezels zijn er ook andere soorten te koop, zoals vlas, hennep en abaca. Die wilde ik ook proberen. De vezels komen in grote geperste platen en zijn een stuk makkelijker te verwerken dan hun Japanse evenknieën. Ik had ook nog een lading bruine draagtassen van de boodschappen liggen. Ook die gebruikte ik als materiaal. Mijn doel was om zo dun mogelijk papier te maken. Ik experimenteerde met bindmiddel, vulmiddel en stijfsel. Op zoek naar het perfecte papier en geluid. En tenslotte experimenteerde ik met kleurstoffen en inkt.

Mijn mooiste papier heeft op de stijfheidsindex de laagste score. Het is zacht, slap, wit en lijkt op kant. Het ritselt en is gemaakt van abacca. Het is een van de eerste papieren, die ik gemaakt heb. Als ik nu abacca schep, dan is het papier, zacht, slap, wit en dun genoeg. Het ritselt, maar lijkt niet op kant. Ik kan die eerste vellen niet meer reproduceren. 

Voor een boek is mijn papier ongeschikt. Het verdraagt willekeurige afbeeldingen en teksten niet. Het papier heeft een eigen, uitgesproken taal. Beelden die daaraan inhoudelijk niets toevoegen, worden op dit papier direct afgestraft. Het beeld wordt kitsch.

Mémé Bartels, september 2022